Veelzijdig naar de top
 
 
 
 
 
 
 
 
 

Schaalvergroting in het dirigeerwerk

Uit: Hoofdstuk 7 - Apporteren op niveau  

Veelzijdig naar de top - Hoofdstuk 7

De eerste lijn
....De eerste lijn is de belangrijkste, want de bedoeling is dat je de hond in één keer zo dicht mogelijk bij de valplaats of het gebied krijgt waar hij moet gaan zoeken. Uiteindelijk moet hij dus een vrijwel rechte lijn kunnen lopen van meer dan 200m; hij moet doorgaan totdat hij gestopt wordt en een volgend commando krijgt. Als het lijnen lopen er goed in zit, ook op weiland of in lage dekking, zal de hond niet de neiging hebben om naar de wind toe, of juist van de wind af te buigen. Daarom heb je dat in het begin ook steeds met de wind in de rug gedaan. En zodra hier iets aan blijkt te haperen ga je weer terug naar die oefening. De bedoeling is dat de hond rechtdoor de ingezette lijn blijft lopen, ongeacht de windrichting. Tegen de wind in zal de grootste moeilijkheden opleveren, dus wees geduldig. Neem de hond een belangrijke stap terug als het niet goed gaat, bijvoorbeeld van 100m terug naar 40m. En dan weer geleidelijk uitbouwen....
foto: Lotte van Dijk
 
Verleiding op de 1e lijn
....Om die eerste lijn er goed in te krijgen heb je aanvankelijk steeds dummies in zicht gebruikt. Daarna stapte je over naar het territoriumsignaal, waarbij de hond aan het einde van de lijn op het signaal naar de wind draait om vervolgens verloren te gaan zoeken. Je hebt dit steeds gedaan op terrein met weinig tot geen aanwezig wild. Het wordt nu tijd om die lijn moeilijker te maken. Allereerst door er verleiding in aan te brengen. Dat doe je door bovenwinds een dummy, bij een volgende gelegenheid een stuk wild neer te leggen, zodanig dat wanneer de hond zijn lijn goed loopt hij er geheid verwaaiing van krijgt. Zorg dat jij exact weet waar dat is. Hij zal de neiging hebben om geen territoriumsignaal af te wachten, maar in te steken en het gevondene te apporteren. Alleen, hij heeft hier geen opdracht toe gekregen! Dirigeren veronderstelt blind vertrouwen, werd eerder gezegd. De hond moet blijven lopen, dus niet op eigen houtje wat anders gaan doen. Dat klinkt moeilijk (en is het ook). Je hebt hem immers steeds voor initiatief beloond? Is dit niet een beetje tegenstrijdig? Dat is het, maar we moeten wel. Waarom? Een simpel praktijk voorbeeld. Stel, het is je gelukt een doublet fazanten te schieten, mooie hoge inkomers. De eerste ligt ‘kikdood' 30m verderop in de wei. De tweede zeilde nog even door in vrijwel dezelfde lijn, kwam neer 30m verder en zette het op een lopen. Het is zaak de hond snel bij die loper te krijgen. Hij moet de eerste negeren; die haal je zelf wel op. Dit soort situaties kun je ook op een apporteerwedstrijd ter drijfjacht meemaken (waar het eerst apporteren van het dode wild niet als een fout wordt aangerekend). Maar voor de praktijkjacht heeft het wel degelijk zin hier iets aan te doen. Uiteraard mag hij het eerdere stuk wild wel aangeven, maar op aanwijzing van jou moet hij zijn lijn vervolgen om zo de loper snel binnen te brengen....
 
 Einde dirigeren: apport
….Zoals gezegd is het dirigeren bedoeld voor de situatie waarin de voorjager bij benadering weet waar het wild ligt of voor het laatst gezien is, de hond niet. Zolang hij gedirigeerd wordt, mag de hond niets op eigen houtje doen, zelfs niet als hij langs een stuk wild gestuurd wordt. Hij mag het wel aangeven maar moet op commando doorlopen. Bij het apport moet hij dan juist wel omschakelen naar zelfstandig werken. Ook al weet de voorjager de valplaats, het blijft moeilijk om die laatste paar meter goed in te schatten, zeker als de valplaats ver weg is. Om dit goed te beseffen, en om jezelf te trainen, zou je het volgende eens kunnen proberen. Loop een 80m de bieten in, gooi daar een dummy neer. Loop dan terug naar de rand en vervolgens 50m naar links of rechts zonder terug te kijken. Dirigeer de helper dan, net zoals je de hond zou dirigeren, naar de valplaats. De helper is natuurlijk perfect te dirigeren, dus zou je hem/haar bovenop de dummy moeten kunnen zetten. Dat lukt je niet. Maar als je het zoekgebied kunt beperken tot een cirkel met een straal van 20m helpt de hond je wel uit de brand. Je zet hem in dat gebied (met goede wind) via het territoriumsignaal aan het zoeken. Het territoriumsignaal betekent: ‘einde dirigeren, nu zoek en apport'.
 
Met behulp van een schetsje nog een praktijkvoorbeeld. Stel, je staat voor een tocht. De eend tekende op het schot, maar vloog door, en valt op 100m in de maïs aan de overkant. Het maïsperceel ligt tussen een graanstoppel en een plak bieten met een trekkerspoor.
 
Als je de wind in de rug hebt stuur je de hond door het trekkerspoor of over de stoppel tot voorbij de valplaats, je stopt hem, stuurt hem de maïs in, en geeft hem een territoriumsignaal. Hij zal nu naar de wind toe gaan zoeken.....